Je kent ze wel. Goede vrienden, vage bekenden, de sportschoolinstructeur, je moeder – allemaal zijn ze in staat tot een haarfijne analyse van jouw welbevinden, of liever: het gebrek eraan. Meestal wordt dit medegedeeld met een lichte frons op het voorhoofd en de tekst: ‘Jemig/ Kindje/ Wauw/…, wat zie je er moe uit’, gevold door een stilte waarin je wordt geacht te vertellen wat er aan scheelt.

Nu kan het natuurlijk heel aardig bedoeld zijn – iemand maakt zich duidelijk zorgen om je. Maar halló, iemand vertelt je gewoon dat je er bere-verrot uitziet.

En soms komt deze opmerking ook voorbij als je je eigenlijk best prima voelde.

Of wanneer je in een enthousiaste bui hebt besloten lekker au naturel door het leven te gaan.

Of wanneer je die week 5 rapporten hebt ingeleverd, de vakantie hebt geboekt, 3x bij je moeder bent langs geweest omdat ze zo alleen was, House of cards in één ruk hebt uitgekeken en zeker 2 flessen te veel hebt genuttigd.

En wat dan nog.

Er is een uitzondering: de kater! Mensen verwachten dan gewoon dat ze te horen krijgen dat ze er shitty uitzien. Het is bijna een compliment (‘jahaha, ik kan nog heul hard drinken en heb een topavond gehad, merci’) en je weet dat je na 2 (ok, 3) nachten bijslapen er weer enigszins fris uitziet. Het commentaar op je voorkomen is de cue om even te kunnen vertellen dat je echt niet altijd om 9uur naar bed gaat. Dus dank.

Maar vermoeide mensen hebben geen zin om hun staat van welzijn nog even te analyseren of van commentaar te voorzien, hoe accuraat de observatie ook mag zijn. Ze zijn moe. Ze zien er slecht uit. Praat over iets anders en ze zijn je eeuwig dankbaar.

‘Koffie, suiker of alcohol?’ volstaat prima als je iemand tegenkomt die de totale uitputtingsslag nabij is.

Merci!

 

 

Schrijf je in voor de ultieme survivalgids voor het leven na de 50

Geen garanties dat je het overleeft, maar een avontuur wordt het zeker!